Oorzaken van overgewicht
Waarom kom je aan, welke factoren spelen mee en wanneer is onderzoek zinvol?
Overgewicht heeft bijna nooit één oorzaak. Voeding en beweging spelen een rol, maar ook slaap, stress, erfelijke aanleg, medicijngebruik, hormonen, levensfase en de omgeving waarin je leeft. Die factoren versterken elkaar. Daardoor werkt ‘gewoon minder eten en meer bewegen’ voor veel mensen niet zoals het op papier klinkt.
Op deze pagina lees je welke factoren aantoonbaar meespelen, hoe zwaar ze ongeveer meewegen en wanneer het zinvol kan zijn om onderliggende factoren te laten onderzoeken.
In dit artikel lees je:
- ISO 15189-geaccrediteerd laboratorium
- Geen verwijzing nodig
- Thuis afnemen met een vingerprik
- 8,8/10 klantenbeoordeling
Wat zijn de oorzaken van overgewicht?
Overgewicht ontstaat wanneer je lichaam over langere tijd meer energie binnenkrijgt dan het verbruikt. Dat is de energiebalans en die klopt altijd. Maar de energiebalans beschrijft alleen wat er gebeurt en verklaart het niet. De vraag is waarom die balans bij de een anders uitpakt dan bij de ander. Daar zitten de oorzaken.
Aan beide kanten van die balans grijpen namelijk allerlei dingen in. Hoeveel honger je hebt, hoe snel je verzadigd raakt, hoeveel je onbewust beweegt, hoe goed je slaapt, hoe je op stress reageert, welke medicijnen je gebruikt en hoe je lichaam met insuline omgaat: dat is bij niemand hetzelfde en het is grotendeels niet iets wat je bewust kiest.
Overgewicht is daarom geen kwestie van wilskracht. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Nederlandse richtlijnen beschrijven het als een chronische, multifactoriële aandoening. Dat betekent niet dat je niets kunt doen, maar wel dat de verklaring zelden bij één ding ligt.
In het kort
- Meerdere oorzaken tegelijk: vrijwel altijd een samenspel van voeding, beweging, slaap, stress, aanleg, medicatie en omgeving.
- Aanleg weegt zwaar: genetische factoren verklaren naar schatting 40 tot 70% van de verschillen in gewicht tussen mensen binnen een bevolking (dus niet van iemands eigen gewicht).
- Geen enkele test wijst de oorzaak aan. Bloedonderzoek kan bijdragende factoren in beeld brengen of uitsluiten, maar niet vaststellen waarom iemand overgewicht heeft.
- Eén medische hoofdoorzaak is de uitzondering: een trage schildklier of een andere hormonale aandoening verklaart een klein deel van de gevallen en dan meestal maar een deel van het gewicht. Ook medicijngebruik kan meespelen en is het nagaan waard.
- Wilskracht is niet de verklaring. Overgewicht wordt in richtlijnen beschreven als een chronische, multifactoriële aandoening.
Over BMI. Overgewicht wordt meestal aangeduid met de BMI: een BMI van 25 tot 30 heet overgewicht, vanaf 30 obesitas. Dat is een bruikbare maat voor groepen, maar op individueel niveau grof. De BMI maakt namelijk geen onderscheid tussen spier- en vetmassa en zegt niets over waar het vet zit, terwijl juist vet rond de organen in de buik het meest met gezondheidsrisico's samenhangt. Een gespierde sporter kan een BMI boven 25 hebben zonder overgewicht. Iemand met een BMI van 24 kan toch veel buikvet hebben. Ga bij je eigen situatie dus niet op de BMI alleen af. Je huisarts weegt meer mee dan dat ene getal.
Hoe vaak het voorkomt. In 2025 had 50,6% van de Nederlanders van 18 jaar en ouder overgewicht en 15,7% obesitas. Die cijfers komen uit de Gezondheidsenquête van het CBS en het RIVM en zijn gebaseerd op lengte en gewicht die mensen zelf opgeven, dus in werkelijkheid ligt het percentage wat hoger. Overgewicht komt vaker voor naarmate mensen ouder worden. Obesitas neemt vanaf 65 jaar juist weer af. Matig overgewicht zie je vaker bij mannen, obesitas iets vaker bij vrouwen.
Waarom kom ik aan zonder duidelijke reden?
Dit is een veelgestelde vraag over gewicht. De ervaring erachter is reëel: je eet niet meer dan vorig jaar, je doet niets anders en toch loopt je gewicht op. Of je let juist wel op en valt niet af. Dat is frustrerend en het voelt oneerlijk.
Meestal blijkt het dan om een combinatie van kleine dingen te gaan die je los niet opmerkt. De verklaringen die in de praktijk het vaakst meespelen:
- Een langzaam sluipend verschil. Een overschot van pakweg honderd kilocalorieën per dag, ongeveer een handje noten of een glas frisdrank, kan over een jaar al enkele kilo's opleveren. Zo klein dat je het aan je eten niet merkt. Het loopt wel dood: een zwaarder lichaam verbruikt ook meer, waardoor de toename afvlakt en uiteindelijk op een nieuw evenwicht blijft staan.
- Minder onbewuste beweging. Een andere baan, een auto in plaats van de fiets, een blessure of een periode van thuiswerken verlaagt je dagelijkse verbruik behoorlijk, zonder dat je het gevoel hebt dat je ‘minder sport’.
- Slechter slapen. Structureel kort of onrustig slapen verandert je honger- en verzadigingshormonen en verhoogt de trek in energierijk eten.
- Meer stress dan je denkt. Langdurige spanning werkt via cortisol op je eetlust en op waar je lichaam vet opslaat.
- Leeftijd en lichaamssamenstelling. Vanaf ongeveer je dertigste neemt spiermassa geleidelijk af als je er niets aan doet. Spieren verbruiken in rust meer energie dan vet.
- Nieuwe medicatie. Sommige veelgebruikte medicijnen geven gewichtstoename als bijwerking. De start valt niet altijd samen met het moment waarop je het merkt.
Wat hier vaak bij hoort: mensen schatten hun eigen inname vaak te laag in. Dat geldt voor veel meer mensen dan alleen voor mensen met overgewicht. Het is een bekend meetprobleem in onderzoek naar voeding. Het verklaart waarom ‘ik eet echt niet veel’ en ‘de energiebalans klopt altijd’ allebei waar kunnen zijn.
Wanneer aankomen wel een reden is om te laten kijken. Snelle, onverklaarde gewichtstoename in weken in plaats van maanden, toename met vochtophoping in benen of buik, of gewichtstoename samen met klachten als extreme vermoeidheid, kouwelijkheid, haaruitval of een veranderde menstruatie hoort bij je huisarts. Ook onbedoeld gewichtsverlies is een reden om contact op te nemen met je huisarts.
Onderzoek en testen bij overgewicht
Geen enkele test wijst aan waarom jij overgewicht hebt. Wat bloedonderzoek wel kan, is bijdragende factoren in beeld brengen of uitsluiten. Omdat er meestal meerdere factoren meespelen, zegt een breed profiel hier meer dan een losse waarde.

Bloedtest totaal profiel XL
Meet 16 waarden over vijf gebieden in één vingerprik: je bloedsuiker (HbA1c), je schildklier, je vitamines, je bloedvetten en je lever- en nierwaarden. Daarmee dekt hij in één afname de meeste factoren van deze pagina die met bloedonderzoek te bekijken zijn.
- Bloedsuiker, schildklier, vitamines en bloedvetten in samenhang
- Handig wanneer je niet weet welke losse waarde je zou moeten kiezen
- ISO 15189 geaccrediteerd medisch laboratorium
- Uitgebreid rapport met uitleg, leefstijl- en voedingsadvies
Of kies een andere route
Weet je al welke factor je wilt bekijken, dan is een gerichte test logischer.

Schildklier bloedonderzoek
Bloedtest die naast TSH ook FT3 en FT4 meet, dus hoeveel actief schildklierhormoon er beschikbaar is. Passend wanneer gewichtstoename samengaat met vermoeidheid en kouwelijkheid. Alleen TSH nodig? Dan is de TSH schildklier test van € 29,00 voldoende.

Cortisol test
Speekseltest, dus zonder prik. Je vangt speeksel op het moment op dat in de instructie staat. De test meet hoeveel vrij cortisol er op dat moment in je speeksel zit. Een extra meting op een ander moment kan erbij (+ € 25,00). Passend bij aanhoudende stressklachten. De test meet niet hoe gestrest je bent en ook niet wat de oorzaak van je gewicht is.
Speelt vooral vermoeidheid, dan is de vermoeidheid test (€ 119,00) gerichter: die meet zes waarden, namelijk ferritine, ijzer, vitamine D, actief vitamine B12, cortisol en TSH. Voor de hormonale kant zijn er de hormoon test man en de hormoon test vrouw. Weet je niet welke route past, dan helpt de keuzehulp je met een paar vragen verder.
Onze testen zijn informatief bedoeld. Je krijgt een gemeten waarde met het bijbehorende referentiegebied. Een waarde daarbuiten is een aanwijzing en geen diagnose. Geen enkele test kan vaststellen waarom iemand overgewicht heeft. Een normale uitslag sluit een onderliggende aandoening ook niet uit. Alleen een arts kan een aandoening vaststellen en een behandeling starten. Gebruik je medicatie die je gewicht, bloedsuiker of hormonen beïnvloedt, overleg dan met je behandelaar voordat je zelf meet. Stop nooit op eigen initiatief met een medicijn.
Ervaringen met deze testen
★★★★★
“Ik had een Totaal Profiel XL Bloedtest en daarvoor heb je wel wat extra bloed nodig. Gelukkig hadden ze van Mijnlabtest wat extra vingerpriknaaldjes bijgevoegd, want dat was ook nodig. Binnen 4 dagen had ik de uitslagen, goed verwerkt in een uitgebreid rapport met uitleg en tips.”
L. uit Rotterdam, november 2021 · Bloedtest totaal profiel XL
★★★★★
“Gekozen voor een bloedtest gericht op de schildklier. Het pakketje kwam snel binnen, en de instructie voor afname was duidelijk en eenvoudig. Ik moest een vingerprik doen en daarna wat druppels bloed in een buisje laten stromen. Binnen één week had ik de uitslagen al binnen via een beveiligde Zivver-omgeving.”
L. uit Noord Holland, september 2025 · Schildklier bloedonderzoek
★★★★★
“Ik wilde mijn cortisol waarden weten op iets andere tijden dan de in de testkit aangegeven momenten. Na mijn wens aangegeven te hebben mijn eigen gekozen momenten te willen testen, hebben ze de samples alsnog gewoon verwerkt en een passende uitleg in de uitslag verwerkt.”
T. uit Leeuwarden, oktober 2023 · Cortisol test
Een ervaring van iemand anders zegt niets over jouw uitslag. Alle originele reviews bekijken
Voeding, beweging en slaap
Dit zijn belangrijke factoren waar je zelf iets aan kunt veranderen. Belangrijk is hoe die factoren werken: via honger, verzadiging en energieverbruik.
Hoeveel en wat je eet
Sterk bewerkte producten met veel vet en snelle koolhydraten leveren veel energie in weinig volume en verzadigen kort. Je krijgt er ongemerkt meer van binnen dan van onbewerkt eten met vezels en eiwit. Ook drinken telt mee: energie uit frisdrank, sap en alcohol verzadigt vrijwel niet.
Sporten en dagelijkse activiteit
Twee keer per week sporten is waardevol voor je gezondheid. Maar ook wat je de rest van de week doet, telt flink mee in je verbruik: lopen, traplopen, staan, fietsen. Weinig bewegen verlaagt daarnaast je spiermassa en daarmee ook je verbruik in rust.
Slaaptekort, honger en verzadiging
Bij structureel te kort slapen daalt leptine, het hormoon dat verzadiging signaleert, en stijgt ghreline, dat honger geeft. Je hebt dan meer trek, vooral in energierijk eten, en minder energie om te bewegen. Slaaptekort is daarmee een aannemelijke, zelfstandige factor.
Slaapapneu en gewicht
Bij obstructieve slaapapneu vallen de ademhalingspauzes tijdens de slaap je nachtrust voortdurend uit elkaar. Het gevolg is overdag vermoeidheid, minder beweging en meer trek. Dat werkt gewichtstoename in de hand. Andersom vergroot overgewicht de kans op slaapapneu, waardoor het een cirkel wordt die zichzelf versterkt.
Snurk je hard, stopt je ademhaling volgens je partner ’s nachts, word je niet uitgerust wakker of val je overdag in slaap? Leg dat dan bij je huisarts neer. Slaapapneu is goed te behandelen. Dat maakt vaak ook de rest makkelijker.
De invloed van de omgeving
Overgewicht is in Nederland de afgelopen decennia toegenomen, terwijl onze genen niet zijn veranderd. Grotere porties, goedkoop en overal beschikbaar bewerkt eten, veel zittend werk en meer schermtijd maken de energiebalans voor vrijwel iedereen moeilijker. Ook opleidingsniveau, inkomen en de buurt waarin je woont hangen aantoonbaar samen met de kans op overgewicht. Het gaat hier dus om een effect van de omgeving. Dat verklaart een groot deel van de toename op bevolkingsniveau.
Hoeveel invloed hebben stress en cortisol op je gewicht?
Cortisol is het belangrijkste stresshormoon. Bij kortdurende spanning is het nuttig: het maakt energie vrij en maakt je alert. Bij langdurige stress blijft dat systeem aanstaan. Dan kan het op meerdere manieren op je gewicht ingrijpen.
- Via je eetgedrag. Dit is het best onderbouwde deel. Langdurige stress hangt samen met meer eten als reactie op spanning en met een sterkere voorkeur voor energierijk eten met veel vet en zoet. Ook slaap je bij stress vaak slechter, wat dat effect versterkt.
- Via de plek waar vet wordt opgeslagen. Een langdurig verhoogd cortisolniveau wordt in verband gebracht met vetopslag rond de organen in de buik in plaats van onderhuids. Dat is precies het type vetopslag dat het meest met hart- en vaatrisico en met insulineresistentie samenhangt.
- Via je bloedsuiker. Cortisol maakt glucose vrij en werkt de opname ervan in de cellen tegen. Bij langdurige stress kan dat de insulinegevoeligheid ongunstig beïnvloeden.
Is cortisol zelf de oorzaak? Dat langdurige stress via eetgedrag en slaap op gewicht ingrijpt, is goed onderbouwd. Dat cortisol zelf de belangrijkste oorzaak van iemands overgewicht is, is dat niet: de meeste mensen met overgewicht hebben een normaal cortisolniveau. Alleen bij het syndroom van Cushing, waarbij het cortisol echt sterk en langdurig verhoogd is, is er een duidelijk oorzakelijk verband met gewichtstoename. Dat is een zeldzame aandoening met een kenmerkend beeld. Een arts stelt die vast.
Een cortisolmeting is dus geen verklaring voor je gewicht. Wat hij bij aanhoudende stressklachten wel kan geven, is een momentopname van je cortisol op het moment van afnemen. Met een extra meting op een ander moment kun je twee momenten van de dag vergelijken. Een volledig dagritme of je stressniveau stelt een losse meting niet vast. Meer daarover staat op de pagina over stress en slaap.
Hormonale oorzaken van overgewicht
Hormonen regelen mede je energieverbruik, je honger en de plek waar je lichaam vet opslaat. Ze verklaren zelden iemands hele gewicht, maar ze kunnen wel verklaren waarom afvallen in een bepaalde levensfase moeizamer gaat of waarom vetopslag van plek verandert.
Bij mannen: testosteron
Testosteron draagt bij aan het behouden van spiermassa en beïnvloedt de vetverdeling. Bij een verlaagd testosteronniveau wordt vaker minder spiermassa en meer buikvet gezien. Het verband loopt daarbij twee kanten op: een laag testosteron kan gewichtstoename in de hand werken, maar overgewicht verlaagt zelf ook het testosteronniveau, onder andere doordat vetweefsel testosteron omzet in oestrogeen. Bij afvallen stijgt het testosteron bij veel mannen weer.
Een losse testosteronwaarde vertelt dus niet welke kant het op is gegaan. Wil je die waarde toch laten bekijken, dan meet de testosteron test het totaal testosteron. De hormoon test man meet daarnaast SHBG, LH, FSH, prolactine, cortisol, TSH en vitamine D. Zo zie je testosteron in samenhang met andere hormonen en waarden die bij de hormonale regulatie horen. Afname gebeurt bij deze waarden in de ochtend, omdat testosteron een duidelijk dagritme heeft.
Bij vrouwen: cyclus, overgang en PCOS
Bij vrouwen wisselt het hormonale beeld met de cyclus en met de levensfase. Rond de overgang daalt oestrogeen. Dat gaat vaak samen met een verschuiving van vetopslag naar de buik en met een geleidelijke afname van spiermassa. Veel vrouwen komen in die periode aan zonder dat ze anders zijn gaan eten. Dat de vetverdeling verandert, is goed onderbouwd. Dat de overgang zelf de belangrijkste oorzaak van de gewichtstoename is, is minder zeker: leeftijd, minder bewegen en slechter slapen spelen in dezelfde periode mee. Meer hierover staat op de pagina over overgangsklachten.
Bij PCOS speelt insulineresistentie bij een groot deel van de vrouwen mee. Dat maakt afvallen vaak moeizamer. Ook hier werkt het twee kanten op: gewichtsverlies verbetert bij veel vrouwen met PCOS juist de klachten en de cyclus. Lees verder op de pagina over PCOS-symptomen.
Wil je je vrouwelijke hormonen laten bekijken, dan meet de hormoon test vrouw FSH, LH, oestradiol, progesteron en testosteron. Het moment in je cyclus beïnvloedt die waarden sterk, dus de afname heeft bij voorkeur in de folliculaire fase plaats, aan het begin van je cyclus. Een uitgebreidere uitleg van je hormoonhuishouding staat op de pagina over hormonen.
Is je hormoonwaarde de oorzaak of het gevolg? Bij vrijwel alle hormonen in deze sectie geldt dat overgewicht de hormoonwaarde beïnvloedt en niet alleen omgekeerd. Een afwijkende waarde is daarom vaker een gevolg dan een oorzaak. Dat maakt de uitslag niet waardeloos, maar wel iets wat je samen met een arts in de juiste richting moet lezen.
Schildklier en overgewicht: hoeveel verklaart het?
De schildklier bepaalt mede het tempo van je stofwisseling. Werkt hij te langzaam (hypothyreoïdie), dan verbruikt je lichaam in rust minder energie. Dit is de bekendste medische oorzaak van gewichtstoename. Tegelijk wordt het effect ervan vaak overschat.
De klachten bij een trage schildklier zijn vaak subtiel en sluipend: vermoeidheid, kouwelijkheid, een droge huid, haaruitval, obstipatie, trager denken, een zwaar gevoel in de spieren en een veranderde menstruatie. Gewichtstoename hoort erbij, maar staat er zelden alleen.
Hoeveel gewicht verklaart een trage schildklier? Meestal minder dan mensen hopen. Bij een onbehandelde hypothyreoïdie gaat het doorgaans om enkele kilo's. Een flink deel daarvan is vastgehouden vocht in plaats van vet. Na het instellen van schildkliermedicatie verliezen mensen dat deel vaak weer, maar het lost overgewicht meestal niet op. Een trage schildklier verklaart dus zelden een groot gewichtsprobleem. Andersom betekent een normale TSH-waarde niet dat er niets aan de hand is, alleen dat de schildklier het waarschijnlijk niet is.
Dat maakt uitsluiten wel nuttig: het is een van de weinige oorzaken die eenvoudig te meten en goed te behandelen is. Daarom staat schildklieronderzoek vaak vooraan wanneer gewichtstoename met vermoeidheid en kouwelijkheid samengaat.
TSH is de startwaarde: dat hormoon stuurt de schildklier aan en reageert als eerste. De TSH schildklier test meet die ene waarde. Wil je een vollediger beeld, dan meet het schildklier bloedonderzoek naast TSH ook FT3 en FT4, dus hoeveel actief schildklierhormoon er werkelijk beschikbaar is. Hoe de schildklier werkt en welke klachten erbij horen, staat uitgebreider op de pagina over de schildklier.
Bloedsuiker en insuline
Insuline brengt glucose uit je bloed naar je cellen en remt tegelijk de afbraak van vetweefsel. Reageren je cellen minder goed op insuline, dan maakt je alvleesklier er meer van om je bloedsuiker stabiel te houden. Dat heet insulineresistentie.
Die situatie hangt sterk samen met overgewicht en vooral met vet rond de organen in de buik. Dat vet draagt sterk bij aan het ontstaan van insulineresistentie. Insulineresistentie houdt de situatie daarna mede in stand, zodat de twee elkaar versterken. Online kom je vaak een sterkere voorstelling tegen, waarin insuline als de oorzaak van overgewicht wordt neergezet en koolhydraten als de schuldige. Die voorstelling wordt niet ondersteund: studies waarin de energie-inname gelijk wordt gehouden, laten geen duidelijk voordeel zien van koolhydraatarme boven vetarme voeding voor gewichtsverlies.
Wat insulineresistentie wel doet, is afvallen voor veel mensen moeizamer maken: het gaat vaak samen met meer trek, sneller weer honger en energiedips. Het werkt ook gunstig terug: al een bescheiden gewichtsverlies verbetert bij veel mensen de insulinegevoeligheid meetbaar.
Hoe dit mechanisme precies werkt, welke klachten erbij horen en wat je eraan kunt doen, staat uitgebreid op de pagina over insulineresistentie. Welke bloedsuikerwaarden normaal, verhoogd of afwijkend zijn, vind je bij bloedsuikerwaarden. En hoe snel verschillende voedingsmiddelen je bloedsuiker laten stijgen, staat in de tabel op de pagina over de glycemische index.
Kunnen vitaminetekorten gewichtstoename geven?
Online wordt dit verband vaak steviger neergezet dan het is. Een tekort aan vitamine D, vitamine B12 of ijzer laat je niet rechtstreeks aankomen. Er is geen bewijs dat het aanvullen van zo'n tekort op zichzelf tot gewichtsverlies leidt.
Wat er wel is, is een indirecte route die klinisch heel reëel kan zijn. Een tekort geeft vermoeidheid. Vermoeidheid verlaagt je dagelijkse beweging en maakt de keuze voor makkelijk, energierijk eten waarschijnlijker. Zo kan een tekort bijdragen aan de omstandigheden waarin gewicht oploopt, zonder de oorzaak van het gewicht te zijn.
- Vitamine D. Een lage vitamine D-status komt bij mensen met overgewicht vaker voor, maar dat komt vooral doordat vitamine D in vetweefsel wordt opgeslagen en daardoor minder in het bloed circuleert. Het verband loopt dus eerder van gewicht naar vitamine D dan omgekeerd. Suppletie verbetert je vitamine D-status en is bij een tekort zinvol, maar is geen middel om af te vallen.
- Vitamine B12. Een tekort geeft vermoeidheid, tintelingen en concentratieproblemen. Het geeft geen gewichtstoename. Onbedoeld gewichtsverlies past er eerder bij. Bij vegetarisch of veganistisch eten, na een maagverkleining en bij langdurig gebruik van maagzuurremmers of metformine is de kans op een tekort verhoogd.
- IJzer. Een ijzertekort kan vermoeidheid geven, vooral wanneer er ook bloedarmoede is. De kans op een tekort is groter bij vrouwen met hevige menstruaties. Ook hier is de route indirect: minder energie, minder beweging.
Meten is bij deze waarden vooral zinvol wanneer je aanhoudende vermoeidheidsklachten hebt of tot een risicogroep hoort en niet om je gewicht te verklaren. Losse waarden zijn te bekijken met de vitamine D test, de vitamine B12 tekort test en de ijzertekort test. Gaat het je vooral om de vermoeidheid, dan brengt de vermoeidheid test ferritine, ijzer, vitamine D, actief vitamine B12, cortisol en TSH in samenhang in beeld. De volledige lijst met mogelijke verklaringen staat op de pagina over vermoeidheidsklachten.
Medicatie, aandoeningen en aanleg
Een deel van de oorzaken is niet met leefstijl te verklaren en ook niet met leefstijl te verhelpen. Die groep is klein, maar wie erin valt, heeft er veel aan dat het benoemd wordt.
Medicijnen die gewichtstoename kunnen geven
Medicatie kan meespelen zonder dat je zelf het verband legt. Gewichtstoename staat bij de volgende groepen als bijwerking vermeld. Hoeveel dat scheelt, verschilt sterk per middel en per persoon.
- Corticosteroïden zoals prednison. Het duidelijkste effect van deze lijst, vooral bij hogere doses en langer gebruik.
- Verschillende antidepressiva en antipsychotica. De verschillen binnen deze groepen zijn groot: het ene middel doet niets, het andere veel.
- Sommige anti-epileptica. Ook hier geldt dat het per middel sterk uiteenloopt.
- Bètablokkers. Verlagen het energieverbruik licht en verminderen bij sommige mensen de neiging tot bewegen.
- Insuline en sulfonylureumderivaten. Verlagen de bloedsuiker. Bij een te lage waarde komt bijeten daar nog bovenop.
- Soms hormonale anticonceptie, vooral als vochtretentie in de eerste maanden.
Ben je aangekomen na de start van een nieuw medicijn, leg dat dan naast elkaar in de tijd en bespreek het met je huisarts of apotheker. Soms is er een alternatief met minder effect op gewicht. Stop of verander nooit zelf je medicatie, ook niet als je vermoedt dat het de oorzaak is.
Aandoeningen
Naast een trage schildklier en PCOS kunnen ook het syndroom van Cushing, een groeihormoontekort, bepaalde aandoeningen van de hypofyse en zeldzame genetische syndromen gewichtstoename geven. Deze aandoeningen zijn ongewoon en hebben vrijwel altijd een breder klachtenbeeld dan gewicht alleen. Ze worden door een arts vastgesteld, niet met een thuistest.
Genetische aanleg
Aanleg weegt zwaarder dan veel mensen denken. Tweeling- en familieonderzoek komt uit op een erfelijke component van naar schatting 40 tot 70% van de verschillen in lichaamsgewicht tussen mensen. Genen bepalen onder andere hoe snel je verzadigd raakt, hoeveel honger je hebt en waar je lichaam vet opslaat.
Twee dingen zijn daarbij belangrijk. Ten eerste ligt je gewicht door aanleg niet vast: in een grote analyse van acht gerandomiseerde studies met ruim 9.500 deelnemers reageerden mensen met de ongunstige variant van het FTO-gen even goed op leefstijlinterventies als mensen zonder die variant. Aanleg is dus deels te compenseren. Ten tweede is niet aangetoond dat een DNA-test kan voorspellen welk dieet bij jou werkt. Wat een DNA-test wel en niet kan zeggen, staat op de pagina over afvallen met een DNA-test.
Herhaald afvallen en aankomen
Wie vaker een streng dieet heeft gevolgd, herkent het patroon: het lukt om af te vallen en daarna komt het gewicht terug. Daar zit een biologisch mechanisme achter: honger- en verzadigingshormonen blijven na gewichtsverlies langdurig veranderd, waardoor je lichaam het oude gewicht verdedigt. Hoe dat werkt en wat het risico op terugkomen verkleint, staat op de pagina over het jojo-effect.
Volgende stappen bij overgewicht
Deze pagina gaat over oorzaken. Weten waar iets vandaan komt is nuttig, maar het is nog geen aanpak. Drie dingen helpen om van inzicht naar actie te komen.
- Kijk eerst naar wat aantoonbaar meespeelt in jouw situatie. Slaap, medicatie, een nieuwe levensfase of een periode van veel stress verklaren samen vaker iets dan één bloedwaarde.
- Sluit uit wat eenvoudig uit te sluiten is. Gaat gewichtstoename samen met vermoeidheid en kouwelijkheid, dan is schildklieronderzoek een logische stap. Speelt vermoeidheid de hoofdrol, dan zijn ijzer, vitamine B12 en vitamine D redelijke kandidaten.
- Begin daarna met de aanpak, niet met de weegschaal. Wat werkt bij afvallen en hoe je het volhoudt, staat op de pagina over succesvol afvallen. Daar vind je ook een voorbeelddagmenu. Voor persoonlijke begeleiding is een diëtist het aangewezen adres. Je huisarts kan je daarnaar verwijzen en kan beoordelen of een gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) in jouw situatie vergoed wordt.
Wat vertelt een bloedtest je niet? Er bestaat geen bloedtest en geen DNA-test die vaststelt waarom jij overgewicht hebt. Bloedonderzoek kan bijdragende factoren in beeld brengen of juist uitsluiten. Dat kan richting geven. Maar de uitslag verklaart je gewicht niet. Een normale uitslag betekent ook niet dat je klachten er niet zijn.
Wanneer naar de dokter?
Je huisarts kan bloedonderzoek aanvragen, je klachten in samenhang beoordelen en behandelbare oorzaken zoals een trage schildklier of slaapapneu opsporen. Ook kan de huisarts je doorverwijzen naar een diëtist en beoordelen of een gecombineerde leefstijlinterventie voor jou vergoed wordt. Voor kinderen loopt dat via de huisarts of de jeugdgezondheidszorg. Ga bij kinderen nooit zelf met een dieet aan de slag. Maak een afspraak bij:
- Snelle, onverklaarde gewichtstoename in weken in plaats van maanden
- Gewichtstoename met vochtophoping in benen, voeten of buik
- Gewichtstoename samen met extreme vermoeidheid, kouwelijkheid of haaruitval
- Hard snurken, ademstops ’s nachts of overdag in slaap vallen
- Onbedoeld gewichtsverlies
- Gewichtstoename kort na de start van een nieuw medicijn
Meer lezen over gewicht, hormonen en leefstijl
Veelgestelde vragen over oorzaken van overgewicht
Waarom kom ik aan zonder meer te eten?⌄
Meestal door een combinatie van kleine veranderingen die je los niet opmerkt: iets minder onbewuste beweging, slechter slapen, meer stress, een nieuw medicijn, of geleidelijk minder spiermassa door leeftijd. Een overschot van ongeveer honderd kilocalorieën per dag is aan je eten niet te merken, maar levert over een jaar al enkele kilo's op. Dat loopt niet eindeloos door: een zwaarder lichaam verbruikt ook meer, waardoor de toename afvlakt.
Daarbij wordt de eigen inname vaak te laag ingeschat. Dat is een bekend meetprobleem. Het verklaart waarom ‘ik eet echt niet veel’ en de energiebalans allebei kunnen kloppen.
Kan een hormoonprobleem de oorzaak van overgewicht zijn?⌄
Soms, maar het is de uitzondering en niet de regel. Een trage schildklier, PCOS en zeldzamer het syndroom van Cushing kunnen gewichtstoename geven. Meestal verklaren ze maar een deel van het gewicht.
Belangrijker is de richting van het verband: bij veel hormonen beïnvloedt overgewicht de waarde en niet alleen omgekeerd. Een afwijkende hormoonwaarde is daarom vaker een gevolg dan een oorzaak.
Wat is de rol van de schildklier bij overgewicht?⌄
Een te langzaam werkende schildklier verlaagt je energieverbruik in rust. Dat is de bekendste medische oorzaak van gewichtstoename, maar het effect is meestal beperkt: doorgaans enkele kilo's, waarvan een flink deel vastgehouden vocht.
Uitsluiten is toch nuttig, want het is eenvoudig te meten en goed te behandelen. Gaat gewichtstoename samen met vermoeidheid, kouwelijkheid en een droge huid, laat dan je TSH bekijken.
Heb ik een trage stofwisseling?⌄
Waarschijnlijk niet in de zin die meestal bedoeld wordt. Er zijn verschillen tussen mensen in ruststofwisseling, maar die zijn kleiner dan vaak gedacht en hangen vooral samen met je hoeveelheid spiermassa en je lichaamsgewicht. Iemand met overgewicht heeft in absolute zin doorgaans juist een hoger energieverbruik dan iemand die lichter is.
Wat wel bestaat, is een lager verbruik na een periode van afvallen. Dat heet adaptieve thermogenese en het speelt bij het jojo-effect een rol. Een echt vertraagde stofwisseling door een aandoening, zoals bij een trage schildklier, is met bloedonderzoek te bekijken.
Hoe weet ik wat de oorzaak van mijn overgewicht is?⌄
In de meeste gevallen is er niet één oorzaak aan te wijzen. Wat je wel kunt doen, is nagaan welke factoren in jouw situatie meespelen: is je slaap veranderd, je werk, je medicatie, je levensfase, je stressniveau?
Vervolgens kun je de factoren die eenvoudig te meten zijn laten uitsluiten, zoals de schildklier of een ijzer- of vitaminetekort. Een gesprek met je huisarts of een diëtist levert daarbij meestal meer op dan een losse testuitslag.
Welke test is zinvol bij overgewicht?⌄
Dat hangt af van je klachten. Bij vermoeidheid en kouwelijkheid is schildklieronderzoek het meest logisch. Bij aanhoudende vermoeidheid zijn ferritine, ijzer, vitamine B12 en vitamine D redelijke kandidaten. Bij een grotere buikomvang, veel trek in zoet of diabetes in de familie geven HbA1c en de bloedvetten context.
Weet je niet welke waarde je zou moeten kiezen, dan brengt een breed profiel die gebieden in samenhang in beeld. Geen enkele test stelt vast waarom je overgewicht hebt.
Ligt overgewicht in je genen?⌄
Voor een deel wel. Tweeling- en familieonderzoek komt uit op een erfelijke component van naar schatting 40 tot 70% van de verschillen in gewicht tussen mensen binnen een bevolking. Dat is iets anders dan 40 tot 70% van iemands eigen gewicht. Genen bepalen onder andere je verzadigingsgevoel, je honger en waar je vet opslaat.
Je gewicht ligt door aanleg echter niet vast. In een analyse van acht gerandomiseerde studies met ruim 9.500 deelnemers reageerden dragers van de ongunstige FTO-variant even goed op leefstijlinterventies als anderen. Aanleg kan afvallen dus moeilijker maken, maar het blijft mogelijk.
Kan mijn medicatie de oorzaak zijn?⌄
Dat kan. Gewichtstoename staat als bijwerking vermeld bij onder andere corticosteroïden zoals prednison, verschillende antidepressiva en antipsychotica, sommige anti-epileptica, bètablokkers, insuline en sulfonylureumderivaten.
Ben je aangekomen kort na de start van een nieuw middel, bespreek dat dan met je huisarts of apotheker. Soms is er een alternatief. Stop of verander nooit zelf je medicatie.
Helpen fatburners of groene thee-extract?⌄
Nee, niet in een mate die de moeite waard is. Voor middelen als groene thee-extract, cafeïnesupplementen, L-carnitine, framboosketonen en vergelijkbare ‘fatburners’ is het gemeten effect op gewicht klein tot afwezig. De studies zijn bovendien vaak kort, klein en van wisselende kwaliteit.
Bij groene thee-extract in hoge doseringen zijn daarnaast gevallen van leverschade beschreven, wat voor de Europese autoriteiten reden was om daarvoor te waarschuwen. Een supplement lost dus niets op en kan in dit geval schade doen. Wil je medicamenteuze ondersteuning, dan hoort dat gesprek bij je huisarts.
Deze pagina geeft algemene informatie en is geen persoonlijk medisch advies. Overgewicht heeft vrijwel altijd meerdere oorzaken. De factoren op deze pagina beschrijven wat kan meespelen en niet wat bij jou het geval is. Alleen een arts kan een onderliggende aandoening vaststellen. Voor persoonlijke voedingsbegeleiding is een diëtist het aangewezen adres.

Staat je vraag er niet bij?
Onze klantenservice helpt je met vragen over de test, de afname of je uitslag. We denken graag mee over welke waarde bij jouw vraag past. Voor een medische beoordeling van je klachten verwijzen we je naar je huisarts.
Laat bekijken wat er bij jou meespeelt
Het Totaal profiel XL meet je bloedsuiker, schildklier, vitamines en bloedvetten in één vingerprik. Geen verklaring van je gewicht, maar wel inzicht in de factoren die met bloedonderzoek te bekijken zijn, met een rapport dat elke waarde uitlegt.
Betrouwbare bronnen over oorzaken van overgewicht
- Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Obesitas (M95). De Nederlandse huisartsenrichtlijn over overgewicht en obesitas: de multifactoriële benadering, de rol van BMI en buikomvang, secundaire oorzaken en medicatie als bijdragende factor, en de plaats van de gecombineerde leefstijlinterventie. Laatst geraadpleegd op: 4 september 2026. Lees meer
- Livingstone KM, Celis-Morales C, Papandonatos GD, et al. (2016). FTO genotype and weight loss: systematic review and meta-analysis of 9563 individual participant data from eight randomised controlled trials. BMJ, 354, i4707. Onderbouwt dat dragers van de ongunstige FTO-variant even goed reageren op leefstijlinterventies en dus dat genetische aanleg deels te compenseren is. Lees meer
- Thuisarts.nl. Overgewicht bij volwassenen. Publieksinformatie van de Nederlandse huisartsen over overgewicht, de rol van BMI en buikomvang en de stappen die je met je huisarts kunt zetten. Laatst geraadpleegd op: 4 september 2026. Lees meer
- Voedingscentrum. Overgewicht en obesitas. Nederlandse voorlichtingsinformatie over de oorzaken van overgewicht, de energiebalans en de invloed van de omgeving. Laatst geraadpleegd op: 4 september 2026. Lees meer
De volledige medische en wetenschappelijke verdieping, inclusief de complete bronnenlijst.
Waaruit je energieverbruik bestaat
Overgewicht ontstaat bij een langdurig energieoverschot. Dat beschrijft wat er gebeurt, maar verklaart het nog niet. Om bij de verklaring te komen, helpt het om te weten waar je energieverbruik uit bestaat. Het valt uiteen in vier delen. Die zijn niet allemaal even groot en niet allemaal even beïnvloedbaar.
- Ruststofwisseling (ongeveer 60 tot 70%). Wat je lichaam verbruikt om te bestaan: hart, ademhaling, hersenen, temperatuur, celonderhoud. Dit is het grootste deel en het hangt vooral samen met je hoeveelheid vetvrije massa (spieren, organen, botten). Iemand die zwaarder is, heeft in absolute zin dus een hogere ruststofwisseling, niet een lagere.
- Thermisch effect van voeding (ongeveer 10%). De energie die het verwerken van eten zelf kost. Eiwit kost hierin het meeste, koolhydraten en vet minder. Het verschil tussen voedingspatronen is reëel maar klein.
- Beweging buiten sport om, ofwel NEAT. Lopen, staan, traplopen, boodschappen, klussen, friemelen. Dit deel kan sterk verschillen tussen mensen en verklaart daardoor een deel van de verschillen in aankomen.
- Gerichte inspanning. Sport en training. Voor de meeste mensen het kleinste deel van de week, ook bij wie twee keer per week naar de sportschool gaat.
Hoe groot de rol van NEAT kan zijn, blijkt uit onderzoek waarin mensen wekenlang bewust werden overvoed. Het verschil in hoeveel ze aankwamen, bleek vooral te zitten in hoeveel hun onbewuste beweging toenam: bij sommigen liep die honderden kilocalorieën per dag op, bij anderen bijna niet (Levine et al., 1999). Wie ongemerkt meer gaat bewegen als hij te veel eet, komt minder aan. Dat gebeurt onbewust.
Praktisch betekent dit twee dingen. Naast sporten kan het dagelijkse deel veel uitmaken voor je verbruik: minder lang stilzitten, vaker lopen of fietsen, vaker de trap nemen. En een verandering in je leven die je NEAT verlaagt (een andere baan, thuiswerken, een blessure, een auto in plaats van de fiets) kan je gewicht laten oplopen zonder dat je iets aan je eten hebt veranderd.
Waarom je eigen inschatting van wat je eet vaak te laag uitvalt
Dit is een veelvoorkomende bron van onbegrip rond gewicht. Er is een onderzoeksmethode die de werkelijke energie-inname van iemand kan bepalen zonder op zijn eigen opgave te vertrouwen: dubbelgelabeld water. Je drinkt water waarvan de waterstof- en zuurstofatomen een herkenbare variant zijn. Uit hoe snel die het lichaam verlaten, volgt hoeveel energie je over die periode hebt verbruikt.
Wanneer je die uitkomst vergelijkt met wat mensen zelf opgeven in een eetdagboek, blijkt de opgave structureel te laag: in overzichtsonderzoek gaat het gemiddeld om een onderschatting in de orde van 20 tot 30%. Bij mensen met overgewicht valt het verschil vaak groter uit (Dhurandhar et al., 2015). Het gaat om een bekend meetprobleem dat in vrijwel elke onderzochte groep terugkomt. Het komt door porties verkeerd inschatten, dingen vergeten die je tussendoor at en het onbewust weglaten van drinken, sauzen en restjes.
Dat verklaart de schijnbare tegenstelling. Iemand kan volkomen oprecht zijn wanneer hij zegt niet veel te eten, terwijl de energiebalans intussen keurig klopt. Daarom kan het verhelderend zijn om een paar weken echt alles op te schrijven of in een app bij te houden. Het doel daarvan is het verschil tussen gevoel en werkelijkheid zichtbaar te maken.
Wat ultrabewerkt voedsel doet
Sterk bewerkte producten leveren veel energie in weinig volume en verzadigen kort. Een bekende studie heeft dat effect onder gecontroleerde omstandigheden gemeten.
In die studie verbleven 20 deelnemers vier weken op een onderzoeksafdeling, waar al hun eten werd verstrekt. Ze kregen twee weken een ultrabewerkt menu en twee weken een onverwerkt menu, in willekeurige volgorde. De twee menu's waren gelijkgetrokken op energie, energiedichtheid, vet, suiker, zout en vezels. De deelnemers mochten in beide periodes eten zoveel ze wilden. In de ultrabewerkte periode aten ze ongeveer 500 kilocalorieën per dag meer en kwamen ze bijna een kilo aan. In de onverwerkte periode verloren ze ongeveer evenveel (Hall et al., 2019).
Het resultaat laat zien dat de bewerking zelf iets doet, en niet alleen de voedingswaarde van wat je eet. De waarschijnlijke verklaring is dat ultrabewerkt eten zachter is en sneller wordt gegeten, waardoor de verzadigingssignalen achterlopen op wat er al binnen is. Er zijn wel kanttekeningen: het was een kleine studie van korte duur. Welke eigenschap precies verantwoordelijk is, is ook nog niet duidelijk.
Wat dit betekent voor je eten. ‘Gezond eten’ en ‘energie-arm eten’ zijn niet hetzelfde. Tegelijk hoef je niet te rekenen om een verschil te maken. Wie een deel van de sterk bewerkte producten vervangt door onbewerkte, eet vaak vanzelf minder zonder zich te beperken. Daarom is dit een praktisch advies dat voor veel mensen bruikbaar is.
Waarom je lichaam gewicht verdedigt
Gewicht is geen passief saldo. Je lichaam heeft systemen die het gewicht verdedigen. Die verklaren zowel waarom aankomen bij sommige mensen makkelijk gaat als waarom afvallen daarna moeizaam blijft.
Leptine: de voorraadmeter
De centrale speler is leptine, een hormoon dat door vetweefsel wordt gemaakt en aan de hersenen doorgeeft hoeveel voorraad er is. Daalt de vetmassa, dan daalt leptine en gaat er een sterk honger- en energiebesparingssignaal uit.
Waarom meer leptine niet meer verzadiging geeft
Een veelgehoord misverstand is dat overgewicht een leptinetekort zou zijn. Het omgekeerde is waar: de leptinespiegel loopt vrijwel recht mee met de hoeveelheid vetweefsel, dus bij overgewicht is die juist hoog, terwijl het verzadigingssignaal minder effect heeft (Considine et al., 1996). Dat wordt leptineresistentie genoemd.
Daaruit volgt meteen waarom leptine als medicijn bij gewone vormen van overgewicht niets oplevert: het signaal is er al, het komt alleen niet aan. Het werkt wel bij de zeldzame aangeboren aandoening waarbij iemand helemaal geen leptine aanmaakt. Bij een kind met die aandoening normaliseerde het eetgedrag en daalde het gewicht fors onder leptinetherapie (Farooqi et al., 1999). Leptine werkt dus bij een echt tekort en niet bij resistentie. Daarom is een leptinebepaling bij gewoon overgewicht geen zinvolle test.
Waarom de honger na afvallen blijft
De aanpassing verdwijnt niet zodra je op gewicht bent. Bij mensen die tien weken lang fors waren afgevallen, stonden de honger- en verzadigingshormonen (leptine omlaag, ghreline omhoog) een vol jaar later nog steeds in de richting die eten aanmoedigt, samen met een hoger gerapporteerd hongergevoel (Sumithran et al., 2011). Dat verklaart waarom volhouden voor veel mensen zwaarder is dan afvallen zelf. Het laat ook zien dat terugkomend gewicht een biologische achtergrond heeft. Wat er na gewichtsverlies precies gebeurt en wat de kans op terugkomen verkleint, staat op de pagina over het jojo-effect.
Per hormonale factor: hoeveel gewicht hangt er echt mee samen?
Bij hormonale factoren loopt het verband vaak twee kanten op. Hoe zwaar elke hormoonas weegt, verschilt sterk en wordt online vaak te zwaar aangezet.
Schildklier
Dit is de bekendste medische oorzaak, waarvan het effect vaak wordt overschat. Bij een onbehandelde te langzaam werkende schildklier gaat het doorgaans om enkele kilo's. Een aanzienlijk deel daarvan is vastgehouden vocht in plaats van vetmassa. Na het instellen van schildkliermedicatie verliezen mensen dat vochtdeel vaak weer, maar het lost bestaand overgewicht meestal niet op. Omgekeerd betekent een normale TSH-waarde niet dat er niets aan de hand is. Het betekent alleen dat de schildklier het waarschijnlijk niet is.
Toch is uitsluiten hier verstandig. Een trage schildklier is eenvoudig te meten en goed te behandelen. De bijkomende klachten (kouwelijkheid, droge huid, traagheid, obstipatie) verbeteren met behandeling wel degelijk. De richtlijn is dat TSH de startwaarde is (NHG-Standaard Schildklieraandoeningen).
Cortisol en stress
Hier moet een scherp onderscheid worden gemaakt. Dat langdurige stress via eetgedrag en slaap op gewicht ingrijpt, is goed onderbouwd. Dat cortisol zelf bij de meeste mensen met overgewicht verhoogd is, is dat niet: de cortisolwaarden zijn bij het overgrote deel normaal.
Er is één situatie waarin cortisol werkelijk de oorzaak is: het syndroom van Cushing. Daarbij is sprake van een langdurig en sterk verhoogde cortisolspiegel, met een kenmerkend beeld van vetopslag rond de romp en in het gezicht, dunne huid, blauwe plekken, spierzwakte en paarse striae. Dat is zeldzaam en het wordt door een arts vastgesteld. Een cortisolmeting is daarom geen verklaring voor gewicht. Bij aanhoudende stressklachten kan een meting wel een momentopname van je cortisol geven. Met een extra meting op een ander moment kun je twee momenten van de dag vergelijken.
Testosteron bij mannen
Bij mannen loopt dit verband duidelijk twee kanten op. Een laag testosteron gaat samen met minder spiermassa en meer buikvet. Maar overgewicht verlaagt zelf ook het testosteron, onder andere omdat het enzym aromatase in vetweefsel testosteron omzet in oestrogeen. Zo ontstaat een cirkel die zichzelf versterkt (Grossmann, 2018).
Praktisch gevolg: bij een man met overgewicht en een licht verlaagd testosteron is het meestal niet zo dat het testosteron het gewicht veroorzaakte. Bij gewichtsverlies stijgt het testosteron bij veel mannen weer, zonder behandeling. Een losse waarde vertelt daarom niet welke kant het op is gegaan. Daarom hoort de beoordeling bij een arts.
Overgang en PCOS bij vrouwen
Rond de overgang daalt oestrogeen. Dat gaat samen met een verschuiving van vetopslag van heupen en benen naar de buik. Dat de vetverdeling verandert, is goed onderbouwd. Dat de overgang zelf de belangrijkste oorzaak van de gewichtstoename is, is minder hard: leeftijd, een geleidelijke afname van spiermassa, minder bewegen en slechter slapen lopen in diezelfde jaren mee. De verdeling verandert dus duidelijker dan het totaal.
Bij PCOS speelt insulineresistentie bij een groot deel van de vrouwen mee, ook bij een normaal gewicht. Dat maakt afvallen vaak moeizamer. Ook hier werkt het gunstig terug: bij gewichtsverlies verbeteren bij veel vrouwen zowel de cyclus als de klachten. Hoe het insulinemechanisme werkt, staat op de pagina over insulineresistentie.
Genetische aanleg: monogeen versus polygeen
De erfelijke component van overgewicht wordt geschat op 40 tot 70%. Die schatting komt uit tweeling- en familieonderzoek en is in een systematische review met meta-regressie bij elkaar gebracht (Elks et al., 2012). Twee dingen horen daarbij. Het percentage gaat over de verschillen tussen mensen binnen de onderzochte bevolking, niet over hoeveel van iemands eigen gewicht door genen komt. Die vraag beantwoordt zo'n getal niet. En het schuift mee met de omgeving: zouden alle mensen in een onderzoek precies hetzelfde eten en bewegen, dan bleven alleen de erfelijke verschillen over en zou het percentage juist hoger uitvallen, terwijl er aan de genen niets verandert. Daarnaast hoort er een onderscheid bij tussen twee heel verschillende vormen van erfelijkheid.
- Monogene vormen. Zeldzame mutaties in één gen met een groot effect, bijvoorbeeld in de leptinereceptor of in MC4R. Die geven ernstig overgewicht dat vaak al op jonge leeftijd begint, meestal met extreme honger. Dit is echte medische pathologie en het wordt door een arts of klinisch geneticus vastgesteld.
- Polygene aanleg. Honderden veelvoorkomende varianten met elk een klein effect, die samen de gewone spreiding tussen mensen verklaren (Locke et al., 2015). Dit is wat een consumenten-DNA-test bekijkt.
Dat verschil verklaart waarom de effecten in een leefstijl-DNA-test noodzakelijk klein zijn. Bij FTO, het best onderzochte gen, gaat het per risicovariant gemiddeld om enkele honderden grammen tot ruim een kilo lichaamsgewicht. Dat is op bevolkingsniveau goed meetbaar, maar bij een individu is het een klein deel van het verhaal.
Aanleg is bovendien deels te compenseren. In een meta-analyse van acht gerandomiseerde studies met 9.563 deelnemers reageerden dragers van de ongunstige FTO-variant even goed op leefstijlinterventies als anderen (Livingstone et al., 2016). Wat een DNA-test wel en niet kan zeggen, staat op de pagina over afvallen met een DNA-test.
Medicatie: per klasse, met het mechanisme
Medicatie is een factor om bewust na te gaan. Als die meespeelt, is er vaak iets aan te doen. Medicatie staat ook in de huisartsenrichtlijn expliciet genoemd als bijdragende factor bij overgewicht (NHG-Standaard Obesitas). De routes verschillen per middel. Dat maakt uit voor wat je ermee kunt.
- Corticosteroïden zoals prednison verhogen de glucoseafgifte door de lever, werken de opname in de spier tegen en stimuleren de eetlust. Bij langer gebruik en hogere doses is het effect op gewicht en vetverdeling duidelijk.
- Bepaalde antipsychotica grijpen in op receptoren die bij verzadiging betrokken zijn, waardoor de eetlust toeneemt. De verschillen tussen middelen binnen deze groep zijn groot.
- Sommige antidepressiva geven gewichtstoename, waarbij het per middel en per persoon flink verschilt. Bij een deel gebeurt er niets.
- Insuline en sulfonylureumderivaten verlagen de bloedsuiker en werken daarmee vetopslag in de hand. Bij een te lage bloedsuiker komt daar bijeten bovenop.
- Bètablokkers verlagen het energieverbruik licht en verminderen bij sommige mensen de neiging tot bewegen.
- Sommige anti-epileptica en soms hormonale anticonceptie worden ermee in verband gebracht, bij anticonceptie vooral als vochtretentie in de eerste maanden.
Hoe weet je of je medicijn meespeelt? Zet de start van het middel en het moment waarop je gewicht begon op te lopen naast elkaar in de tijd. Klopt dat, bespreek het dan met je huisarts of apotheker: binnen dezelfde groep bestaat vaak een alternatief met minder effect op gewicht. Stop of verander nooit zelf je medicatie, ook niet als je zeker denkt te weten dat het de oorzaak is. De aandoening waarvoor je het gebruikt, weegt zwaarder.
Slaap, slaapapneu en de omgeving
Bij structureel kort slapen daalt leptine en stijgt ghreline, met meer honger en meer trek in energierijk eten als gevolg. Dat is in experimenteel onderzoek bij gezonde jonge mannen gemeten (Spiegel et al., 2004). Daar komt bij dat wie slecht slaapt minder beweegt en meer uren wakker is waarin gegeten kan worden.
Obstructieve slaapapneu vormt een cirkel: de ademstops halen de nachtrust uit elkaar, wat overdag vermoeidheid en meer trek geeft, terwijl overgewicht de kans op slaapapneu juist vergroot. Het is goed behandelbaar. Behandeling maakt de rest vaak merkbaar makkelijker. Snurk je hard, stopt je ademhaling volgens je partner, of val je overdag in slaap, leg dat dan bij je huisarts neer.
Tot slot speelt de omgeving mee. Zonder die factor blijft het beeld te veel op het individu gericht. Onze genen zijn de afgelopen decennia niet veranderd, de omgeving wel: grotere porties, goedkoop en overal beschikbaar bewerkt eten, meer zittend werk, meer schermtijd, minder lopen en fietsen. Ook opleidingsniveau, inkomen en de buurt waarin iemand woont hangen aantoonbaar samen met de kans op overgewicht. Dat verklaart een groot deel van de toename op bevolkingsniveau. Daarom is het onterecht om overgewicht als een persoonlijk tekort te zien.
Bloedsuiker en insuline: welke kant loopt het verband op?
Overgewicht draagt sterk bij aan insulineresistentie, vooral wanneer het vet rond de organen in de buik zit. Insulineresistentie houdt de situatie daarna mede in stand, zodat de twee elkaar versterken. Online wordt vaak een sterkere versie verteld: insuline zou de hoofdoorzaak van overgewicht zijn. Die versie wordt door onderzoek echter niet ondersteund.
Wat de koolhydraat-insulinehypothese beweert
De gedachte is bekend: koolhydraten verhogen insuline, insuline remt de vetafbraak, dus koolhydraten maken dik. Calorieën zouden er volgens die gedachte minder toe doen. Die voorstelling is aantrekkelijk omdat ze een duidelijke schuldige aanwijst en een simpele oplossing geeft.
Het probleem is dat de voorspelling die eruit volgt niet uitkomt. Als insuline de sleutel was, zou een koolhydraatarm dieet bij gelijke energie-inname meer vet moeten laten verdwijnen dan een vetarm dieet. In gecontroleerde studies waarin de energie-inname wordt gelijkgehouden, is dat voordeel niet te zien. De verschillen zijn klein en gaan soms de andere kant op (Hall & Guo, 2017).
Wat er gebeurt als je mensen vrij laat kiezen
In de praktijk eten mensen niet met een vastgestelde energie-inname, dus een relevantere vraag is: werkt de ene aanpak beter als je mensen vrijlaat? In een gerandomiseerd onderzoek onder 609 volwassenen, twaalf maanden lang, met een vetarm of een koolhydraatarm dieet, was het gemiddelde gewichtsverlies na een jaar in beide groepen vrijwel gelijk. De spreiding binnen elke groep was enorm (van tientallen kilo’s verlies tot toename) en veel groter dan het verschil tussen de groepen (Gardner et al., 2018).
Voor de praktijk betekent dit dat de vraag ‘welk dieet is het beste’ minder oplevert dan de vraag ‘welke aanpak houd ik vol’. In datzelfde onderzoek werd overigens gekeken of het genotype of de insulinesecretie voorspelde wie op welk dieet beter reageerde. Dat verband werd niet gevonden.
Wat insulineresistentie wel doet
Hiermee is insulineresistentie niet onbelangrijk geworden. Ze maakt afvallen voor veel mensen moeizamer, via meer trek, sneller terugkerende honger en energiedips. Zo houdt ze de situatie mede in stand. Tegelijk werkt het gunstig terug: al een bescheiden gewichtsverlies verbetert bij veel mensen de insulinegevoeligheid meetbaar. Het volledige mechanisme staat op de pagina over insulineresistentie.
Stress en cortisol: wat het onderzoek wel en niet laat zien
Over stress en gewicht wordt in populaire bronnen veel meer zekerheid gesuggereerd dan het onderzoek biedt.
Het syndroom van Cushing: een duidelijk verband
Dat cortisol gewicht kan beïnvloeden, staat buiten twijfel: bij het syndroom van Cushing, waarbij het lichaam langdurig veel te veel cortisol maakt, ontstaat een kenmerkend beeld met vetopslag rond de buik, in het gezicht en tussen de schouderbladen. Datzelfde beeld zie je bij langdurig gebruik van corticosteroïden. De route bestaat dus.
Gewone stress: een veel minder duidelijk verband
De stap van ‘cortisol kan dit’ naar ‘jouw drukke leven verklaart jouw gewicht’ is een grote. Een losse cortisolbepaling zegt bij gewone stress weinig over je cortisol op langere termijn, omdat de waarde een sterk dagritme heeft en per moment sterk wisselt. Onderzoek met haarcortisol, dat over een langere periode meet en dus minder van het moment afhangt, vond in een bevolkingsonderzoek onder 2.527 mensen van 54 tot 87 jaar wel een verband tussen hogere langetermijncortisol en een grotere buikomvang en een hoger gewicht (Jackson et al., 2017).
Daar horen twee kanttekeningen bij. Het is een observatie op één moment, dus de richting staat niet vast: overgewicht beïnvloedt de cortisolstofwisseling ook zelf. En de verbanden waren statistisch duidelijk maar in omvang bescheiden. Het gaat om een van de factoren en niet om de hele verklaring.
Wat dat betekent voor meten
Een cortisoltest geeft een momentopname van je cortisol op het moment van afnemen. Met een extra meting op een ander moment kun je twee momenten van de dag vergelijken. Dat kan nuttig zijn bij aanhoudende stressklachten. Wat die test niet doet, is vaststellen dat stress de oorzaak van je gewicht is. Het syndroom van Cushing is een diagnose die via de huisarts en een internist loopt, met specifiek onderzoek. Een thuistest is daar niet voor bedoeld.
Praktisch gezien is wat er rond stress gebeurt een beter aanknopingspunt dan de cortisolwaarde: stress verstoort de slaap en slaaptekort verhoogt aantoonbaar de honger (Spiegel et al., 2004). In die keten kun je zelf iets veranderen.
Wanneer onderzoek zinvol is en wat het niet kan
Er bestaat geen bloedtest en geen DNA-test die vaststelt waarom jij overgewicht hebt. Bij de gewone, polygene aanleg dragen honderden varianten elk een fractie bij. De huisartsenrichtlijn benadert overgewicht ook uitdrukkelijk multifactorieel en niet als één aanwijsbare oorzaak (NHG-Standaard Obesitas). Wat bloedonderzoek wel kan, is bijdragende factoren in beeld brengen of uitsluiten. Dat is vooral zinvol wanneer er iets bij is dat ernaar vraagt: gewichtstoename met vermoeidheid en kouwelijkheid, aanhoudende vermoeidheid, een grotere buikomvang met diabetes in de familie, of klachten die bij een hormonale oorzaak passen.
Wat de uitslag dan doet, is richting geven: een normale schildklierwaarde haalt die verklaring van tafel, een verhoogde HbA1c laat zien dat de glucoseregulatie meedoet. Wat de uitslag niet doet, is je gewicht verklaren. Een normale uitslag betekent ook niet dat je klachten er niet zijn. Voor de vervolgstap is een gesprek met je huisarts of een diëtist bijna altijd waardevoller dan een extra losse waarde.
Deze uitgebreide toelichting is bedoeld als achtergrond en is geen persoonlijk medisch advies. Overgewicht heeft vrijwel altijd meerdere oorzaken. Wat hier staat, beschrijft wat kan meespelen en niet wat bij jou het geval is.
Betrouwbare bronnen over oorzaken van overgewicht (volledige lijst)
- Levine JA, Eberhardt NL, Jensen MD (1999). Role of nonexercise activity thermogenesis in resistance to fat gain in humans. Science, 283(5399), 212–214. Het overvoedingsonderzoek waaruit blijkt dat het verschil in aankomen vooral samenhangt met hoeveel de onbewuste beweging (NEAT) toeneemt. Lees meer
- Hall KD, Ayuketah A, Brychta R, et al. (2019). Ultra-processed diets cause excess calorie intake and weight gain: an inpatient randomized controlled trial of ad libitum food intake. Cell Metabolism, 30(1), 67–77. De studie op een klinische onderzoeksafdeling met twee op energie en samenstelling gelijkgetrokken menu's. Bron van de circa 500 kilocalorieën per dag extra inname. Lees meer
- Dhurandhar NV, Schoeller D, Brown AW, et al. (2015). Energy balance measurement: when something is not better than nothing. International Journal of Obesity, 39(7), 1109–1113. Onderbouwt dat zelfgerapporteerde energie-inname structureel te laag uitvalt en waarom dat een meetprobleem is en geen onwil. Lees meer
- Considine RV, Sinha MK, Heiman ML, et al. (1996). Serum immunoreactive-leptin concentrations in normal-weight and obese humans. The New England Journal of Medicine, 334(5), 292–295. Onderbouwt dat de leptinespiegel meeloopt met de vetmassa en bij overgewicht juist verhoogd is. Dit is de basis onder het begrip leptineresistentie. Lees meer
- Farooqi IS, Jebb SA, Langmack G, et al. (1999). Effects of recombinant leptin therapy in a child with congenital leptin deficiency. The New England Journal of Medicine, 341(12), 879–884. Laat zien dat leptine wel werkt bij een echt aangeboren tekort. Onderbouwt waarom het bij gewone vormen van overgewicht niets doet. Lees meer
- Sumithran P, Prendergast LA, Delbridge E, et al. (2011). Long-term persistence of hormonal adaptations to weight loss. The New England Journal of Medicine, 365(17), 1597–1604. Onderbouwt dat de honger- en verzadigingshormonen een jaar na afvallen nog steeds in de richting van meer eten staan. Lees meer
- Elks CE, den Hoed M, Zhao JH, et al. (2012). Variability in the heritability of body mass index: a systematic review and meta-regression. Frontiers in Endocrinology, 3, 29. De bron van de erfelijkheidsschatting van 40 tot 70%. Lees meer
- Locke AE, Kahali B, Berndt SI, et al. (2015). Genetic studies of body mass index yield new insights for obesity biology. Nature, 518(7538), 197–206. Onderbouwt de polygene aanleg: honderden varianten met elk een klein effect. Lees meer
- Livingstone KM, Celis-Morales C, Papandonatos GD, et al. (2016). FTO genotype and weight loss: systematic review and meta-analysis of 9563 individual participant data from eight randomised controlled trials. BMJ, 354, i4707. Dragers van de ongunstige FTO-variant reageren even goed op leefstijlinterventies. Onderbouwt dat aanleg deels te compenseren is. Lees meer
- Grossmann M (2018). Hypogonadism and male obesity: focus on unresolved questions. Clinical Endocrinology, 89(1), 11–21. Onderbouwt de wederzijdse relatie tussen testosteron en overgewicht, inclusief de rol van aromatase in vetweefsel. Lees meer
- Spiegel K, Tasali E, Penev P, Van Cauter E (2004). Brief communication: sleep curtailment in healthy young men is associated with decreased leptin levels, elevated ghrelin levels, and increased hunger and appetite. Annals of Internal Medicine, 141(11), 846–850. De experimentele onderbouwing van het verband tussen slaaptekort en de honger- en verzadigingshormonen. Lees meer
- Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Obesitas (M95). De Nederlandse huisartsenrichtlijn: de multifactoriële benadering, secundaire oorzaken, medicatie als bijdragende factor en de plaats van de gecombineerde leefstijlinterventie. Laatst geraadpleegd op: 8 september 2026. Lees meer
- Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Schildklieraandoeningen. Onderbouwt TSH als startwaarde en het beperkte gewichtseffect van een te langzaam werkende schildklier. Laatst geraadpleegd op: 8 september 2026. Lees meer
- Hall KD, Guo J (2017). Obesity energetics: body weight regulation and the effects of diet composition. Gastroenterology, 152(7), 1718–1727. Onderbouwt dat een koolhydraatarm dieet bij gelijke energie-inname geen duidelijk voordeel geeft. Spreekt de koolhydraat-insulinehypothese in haar sterke vorm tegen. Lees meer
- Gardner CD, Trepanowski JF, Del Gobbo LC, et al. (2018). Effect of low-fat vs low-carbohydrate diet on 12-month weight loss in overweight adults and the association with genotype pattern or insulin secretion. JAMA, 319(7), 667–679. De DIETFITS-studie onder 609 volwassenen: gelijk gemiddeld gewichtsverlies, enorme spreiding binnen de groepen en geen voorspellende waarde van genotype of insulinesecretie. Lees meer
- Jackson SE, Kirschbaum C, Steptoe A (2017). Hair cortisol and adiposity in a population-based sample of 2,527 men and women aged 54 to 87 years. Obesity, 25(3), 539–544. Onderbouwt het verband tussen langetermijncortisol en buikomvang, inclusief de beperking dat de richting van het verband niet vaststaat. Lees meer
- Thuisarts.nl. Overgewicht bij volwassenen. Publieksinformatie van de Nederlandse huisartsen over overgewicht, de rol van BMI en buikomvang en de stappen die je met je huisarts kunt zetten. Laatst geraadpleegd op: 4 september 2026. Lees meer
- Voedingscentrum. Overgewicht en obesitas. Nederlandse voorlichtingsinformatie over de oorzaken van overgewicht, de energiebalans en de invloed van de omgeving. Laatst geraadpleegd op: 4 september 2026. Lees meer
- RIVM en CBS. Overgewicht bij volwassenen (VZinfo). De Nederlandse prevalentiecijfers op deze pagina: 50,6% overgewicht en 15,7% obesitas bij 18-plussers in 2025, met de verdeling naar leeftijd en geslacht. Gebaseerd op zelfgerapporteerde lengte en gewicht uit de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor. Laatst geraadpleegd op: 18 september 2026. Lees meer
- Hall KD, Sacks G, Chandramohan D, et al. (2011). Quantification of the effect of energy imbalance on bodyweight. The Lancet, 378(9793), 826–837. Onderbouwt waarom een klein dagelijks overschot niet lineair doortelt: een zwaarder lichaam verbruikt meer, waardoor de gewichtstoename afvlakt en op een nieuw evenwicht uitkomt. Lees meer
- European Food Safety Authority (2018). Scientific opinion on the safety of green tea catechins. EFSA Journal, 16(4), 5239. De Europese risicobeoordeling waarin leverschade bij hoge doseringen groene-thee-catechinen wordt beschreven. Onderbouwt de waarschuwing bij groene thee-extract. Lees meer
